Vijftig redenen om te kiezen voor een ander vak.

37. Je moet ermee om kunnen gaan, dat je naast jouw primaire taak, namelijk lesgeven, een enorme hoeveelheid extra taken op jouw bordje krijgt.

Die taken worden, als het goed is, keurig vastgelegd en met jou afgesproken. Maar elke directeur gaat proberen jou in de loop van het jaar nog wat extra dingen toe te stoppen. En wees dan maar eens zo sterk om dat te weigeren.

 

38. Je moet ermee om kunnen gaan, dat het lijkt of sommige leidinggevenden jou niet vertrouwen.

Zo zijn er directeuren, die van hun teamleden eisen, dat zij na elke werkdag een geschreven dag-evaluatie inleveren of zelfs van elke les een evaluatie waarin wordt opgeschreven of het lesdoel is bereikt. Zo zorgen deze mini-dictatortjes ervoor, dat elke leerkracht de nagels aan de eigen doodskist aanlevert. Mini Adolfjes dus.

39. Je moet ertegen kunnen, dat jij regelmatig langs een onstabiele meetlat gelegd wordt.

Diezelfde directeur, die zelf niet (meer) lesgeeft, komt wel regelmatig jouw klas binnen om jou te beoordelen. Met al dan niet zelfgemaakte ‘turflijstjes’ krijg je een veelvoud aan groene en rode kruisjes in jouw dossier. Het managementsgewauwel vliegt jou om de oren. “Wat heb jij nodig om een betere leerkracht te worden?”

40. Je moet wel heel gemotiveerd zijn en een flinke idealistische instellingen hebben om in de grote steden en in de randstad te gaan werken.

De problematiek daar is nog eens vele malen heftiger dan elders. De diverse culturen en de daarmee samenhangende verschillen in opvoeden of het gebruik hieraan, de houding vanuit sommige culturen ten opzichte van vrouwen, enz., enz. , zorgen voor een flinke verzwaring van het werken aldaar. Heb je geen affiniteit met die culturen, dan kun je er beter niet aan beginnen. Je loopt er geheid op stuk.